Ouderlijk gezag

Plichten en rechten

De wet beschrijft het ouderlijk gezag vrij uitgebreid. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de veiligheid van het kind verstaan, alsook het bevorderen va de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Concreet betekent dit dat het aan de ouders is om belangrijke keuzes omtrent het kind te maken, zoals een schoolkeuze of medische beslissingen. De ouders beheren eventuele financiën van hun kinderen en zijn wettelijk aansprakelijk voor hun kinderen.

Contact met beide ouders

In de wet wordt voorts expliciet vermeld dat de ouders in de verzorging en opvoeding van hun kind geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toepassen. Om tot uitdrukking te brengen dat contact met beide ouders in het belang van het kind is, is in 2009 de ouderlijke verantwoordelijkheid in de wet opgenomen. Een ouder heeft plicht om de ontwikkeling van de banden tussen het kind en de andere ouder te bevorderen, aldus art. 1:247 lid 3 BW.

Gezamenlijk gezag of wijziging van het gezag

Gedurende het huwelijk oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit over binnen het huwelijk geboren kinderen. Het gezamenlijk gezag blijft na echtscheiding in beginsel in stand. Op verzoek van de ouders of een van hen kan de rechter eenhoofdig gezag toekennen wanneer dit in het belang van het kind is. De rechter toetst of eenhoofdig gezag in het belang van het kind is aan het zogenaamde klemcriterium: bestaat er een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en is te verwachten dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt (HR 10 september 1999, NJ 2000, 20, opgenomen in art. 1:251a lid 1onder a BW). De rechter toetst daarnaast of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Regeling in het belang van het kind

Geschillen in de uitoefening van het ouderlijk gezag kunnen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank stelt daarop een regeling vast die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.