Afspraken gezag in Chinees ouderschapsplan: erkennen of niet?

In een recente uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant staat de vraag centraal of ouders mogen afspreken dat de ene ouder gezagsbeslissingen neemt over kind A en de andere ouder gezagsbeslissingen neemt over kind B. Deze vraag ligt voor in het kader van de erkenning van de gezagsafspraken in een in China opgemaakt ouderschapsplan.

Feiten uitspraak

De ouders zijn in China met elkaar gehuwd. Zij hebben samen twee kinderen gekregen. De vader verblijft sinds 2011 in Nederland en de moeder is kort na het huwelijk naar Nederland gekomen. De ouders zijn vervolgens in China gescheiden. In het kader van deze echtscheiding hebben zij een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan opgesteld. In het ouderschapsplan zijn de ouders overeengekomen dat de moeder alle beslissingen neemt over kind A en dat de vader alle beslissingen neemt over kind B. Kind A gaat bij de moeder wonen en kind B bij de vader.

De ouders zijn het niet eens over de betekenis van de afspraak over het gezag in het ouderschapsplan en de vraag of deze afspraak in Nederland erkend kan worden. Volgens de moeder is de afspraak vergelijkbaar met Nederlands eenhoofdig gezag, kan de afspraak in Nederland erkend worden en kan voor recht worden verklaard dat de moeder met het eenhoofdig gezag is belast. De man betwist dit en volgens hem kan de afspraak niet in Nederland erkend worden.

Oordeel rechtbank

Volgens de rechtbank is er een aantal buitenlandse gezagsbeslissingen dat in Nederland van rechtswege erkend kan worden. Dit gaat om beslissingen gegeven in een staat die partij is bij één van de Haagse kinderbeschermingsverdragen; beslissingen gegeven in een EU-lidstaat, en; beslissingen gegeven in een staat waarmee een relevant bilateraal verdrag gesloten is. Ingeval de gezagsbeslissing niet één van deze situaties betreft, moet commuun Nederlands erkenningsrecht gevolgd worden. Dit erkenningsrecht volgt uit artikel 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en de bij dit wetsartikel behorende rechtspraak.

De rechtbank beslist dat de afspraak niet valt onder één van de hiervoor genoemde drie situaties waarin de beslissing van rechtswege wordt erkend. De afspraak moet dus getoetst worden aan de in rechtspraak bij artikel 431 Rv genoemde vereisten. Eén van deze vereisten is dat de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde.

De rechtbank merkt op dat ouderlijk gezag in Nederland van openbare orde is en niet ter vrije bepaling van partijen staat. Voor zover de besproken afspraak als een afspraak over het ouderlijk gezag moet worden beschouwd, is deze in strijd met de openbare orde en kan deze niet in Nederland worden erkend. De rechtbank stelt vast dat de ouders met het gezamenlijk gezag over de kinderen zijn belast.

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op.

Meer nieuws