Zijn Iraanse huwelijkse voorwaarden onverenigbaar met de openbare orde? De Hoge Raad spreekt zich uit

Verzet de Nederlandse openbare orde zich tegen de toepassing van een clausule uit in Iran opgemaakte huwelijkse voorwaarden waarin is bepaald dat de vrouw onder voorwaarden aanspraak kan maken op de helft van het vermogen van de man? Over die prejudiciële vraag boog de Hoge Raad zich in 2021. Het antwoord is genuanceerd, zie de uitspraken van het Parket bij de Hoge Raad van 16 juli 2021 en de Hoge Raad van 19 november 2021.

Onverenigbaar met de openbare orde: 10:6 BW

Op grond van artikel 10:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) past de rechter de regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toe. Als de toepassing van vreemd recht onverenigbaar is met de openbare orde wordt het vreemde recht niet toegepast, zie 10:6 BW.

Eerdere rechtspraak van hoven en rechtbanken

Al jaren beslissen hoven en rechtbanken anders over de vraag of de betreffende bepalingen in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde. Bepaling A luidt: ‘Met voltrekking van het huwelijk, stelde de vrouw als voorwaarde dat wanneer (i) het verzoek tot de scheiding niet door haar is ingediend, en volgens de overweging van de rechtbank, (ii) de oorzaak van de scheiding niet door nakoming van de echtelijke verplichtingen door de vrouw of haar immoreel gedrag is, in dit geval de man verplicht is de helft van (de waarde van) zijn aanwinst/bezittingen die hij gedurende het huwelijk met haar verdiend heeft kosteloos aan haar over te dragen (…).’

In 2019 liet het Hof Den Haag bijvoorbeeld de bepaling deels buiten toepassing. De voorwaarden over de indiening van het verzoek tot echtscheiding en de oorzaak van de echtscheiding vervielen. De man diende de helft van zijn vermogen aan de vrouw te voldoen. In 2020 liet het Hof Amsterdam de bepaling juist in stand. Omdat Iraans recht in beginsel een koude uitsluiting inhoudt, beschermt de bepaling de vrouw. De bepaling bevat geen bedingen op grond waarvan de vrouw in het geval van een scheiding in haar vermogenspositie wordt geschaad ten opzichte van de man. Omdat de vrouw het verzoek tot echtscheiding had ingediend, verviel haar aanspraak op de helft van het door de man opgebouwde vermogen. Zie de uitspraken van het Hof Den Haag van 2 oktober 2019 en het Hof Amsterdam van 26 mei 2020.

Arrest Hoge Raad 19 november 2021

Het arrest van de Hoge Raad van 19 november 2021 in antwoord op de prejudiciële vragen biedt een genuanceerd antwoord. De Hoge Raad stelt vast dat de bepaling onderscheid maakt tussen echtgenoten. Verder kan deel (i) leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter en kan deel (ii) leiden tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Of deze onderdelen van de bepaling onverenigbaar zijn met de openbare orde, moet echter worden bepaald aan de hand van ‘de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van de betrokkenheid van Nederland bij dat geval’. De Hoge Raad merkt hierbij op dat het niet heeft beoordeeld of het deel van de bepaling dat slechts de vrouw aanspraak maakt op vermogen van de man en niet andersom, in strijd is met de openbare orde.

Conclusie

Een conclusie van de A-G en arrest van de Hoge Raad die een mooi overzicht geven van de wijze van toepassing van artikel 10:6 BW. Helaas is het antwoord op de prejudiciële vragen zeer genuanceerd. Voor gehuwden met in Iran opgemaakt huwelijkse voorwaarden blijft het dus gissen hoe hun financiële situatie na scheiding er uit zal zien.

Meer nieuws